Interview met J.D van der Ploeg in ‘De Voedselparadox’

(overgenomen van www.pala.be, Vlaanderen: ) Wat we de afgelopen jaren in de wereld hebben kunnen zien zijn stijgende voedselprijzen, slinkende graanvoorraden, voedselrellen en boerenprotesten. Staan we aan de vooravond van een voedselcrisis?

Ja, volgens mij staan we nu aan het begin van de derde, wereldwijde landbouwcrisis. Rond 1880 en 1930 hebben er al twee grote voedselcrises plaatsgevonden. De crisis van 1880 had vooral te maken met de massale import van goedkope bulkproducten als graan naar Europa. Dat zorgde voor allerlei verdringingseffecten. Een groot deel van Europa schakelde toen over op de productie van hoogwaardige producten als vlees- en tuinbouwproducten. De crisis van 1930 had vooral te maken met wegvallende koopkracht. Het antwoord daarop was de ontwikkeling van landbouwpolitiek. Op dit moment is er opnieuw sprake van een massale import van goedkope landbouwproducten. Deze keer gaat het echter niet alleen om goedkope bulkproducten, maar ook om hoogwaardige producten, die hier op de markt gebracht worden. Bijvoorbeeld asperges uit Peru, rundvlees uit Brazilië, kippenvlees uit Thailand, bloemen uit Kenia en melk uit de Oekraïne. Wat vroeger een verdediging vormde voor de Europese landbouw – hoogwaardige producten – komt nu als goedkope import hier binnen.  Tegelijkertijd is er als gevolg van de financiële crisis en de daarmee samenhangende recessie sprake van een afname van koopkracht. Het klassieke antwoord daarop, landbouwpolitiek, is niet meer mogelijk. Die mogelijkheid is weggeliberaliseerd. Daar komt bij dat kredieten fors duurder zullen worden, ook in de landbouw.

In uw boek ‘The New Peasantries’ introduceert u het begrip ‘Empire’. Waar staat dit voor?

Een Empire is een imperium. Een voedselimperium is op de allereerste plaats een wereldwijd netwerk, dat de productie, verwerking, distributie en consumptie van voedsel zo veel mogelijk reguleert. Een groot deel van deze imperia is tot stand gekomen via een razendsnelle expansie, gefinancierd met kredieten. Er moet zoveel mogelijk worden verdiend om die kredieten terug te kunnen betalen. Er wordt veel waarde aan het lokale onttrokken; en die waarde wordt geconcentreerd in het centrum van het imperium. Wat naar de buitenkant stroomt – naar producenten, distributeurs, etc. – is verhoudingsgewijs maar mondjesmaat.

Omdat deze imperia wereldwijd opereren en vanuit een centraal punt hun zaken regelen, wordt er gewerkt met steeds dezelfde soort van standaardoplossingen, Of het nu gaat om de productie of de verwerking of distributie van voedsel: men legt overal eendere regels op waaraan lokaal moet worden voldaan, terwijl die vaak slecht harmoniëren met de lokale ecosystemen. Met de specificiteit van velden, dieren, mensen en de geografie wordt weinig rekening gehouden. De huidige imperia zijn bij uitstek onduurzaam. Het overal opleggen van eendere regels, waaraan lokaal moet worden voldaan: dat schakelt de eigen verantwoordelijkheid van mensen voor een belangrijk deel uit. Het tast ook het vermogen aan om de eigen situatie te verbeteren. Maar dat doet er niet toe. De macht van een imperium moet er juist toe leiden, dat zoveel mogelijk producenten en consumenten afhankelijk zijn van het imperium en zich daarnaar gedragen.

U noemt deze voedselimperia in uw boek ‘vampieren’. Kunt u verduidelijken wat u hiermee bedoelt?

Ja, de huidige imperia handelen tot op zekere hoogte als een soort vampieren. Dat is ook wat ik in Peru, in Catacaos, heb zien gebeuren. De kust van Peru is een extreem droog woestijngebied, dat wordt doorkruist door een aantal rivieren, waarlangs er geïrrigeerde landbouw is (irrigatie is de kunstmatige winning en verdeling van water; red.). Water is er bij uitstek schaars. En wat zien we? Grote gedeelten van de Peruaanse kust zijn inmiddels gespecialiseerd in het telen van asperges en soortgelijke producten, die met een jumbojet naar Europa worden gevlogen. Asperges is biologisch bezien niet veel meer dan verpakt water met een aparte smaak, dat in cellen zit ingepakt. Vanuit een van de meest droge gebieden ter wereld wordt dus een deel van het heel schaarse water naar Europa geëxporteerd. Als dat in Peru ontwikkeling zou brengen, zou het misschien nog tot daar aan toe zijn. Maar realiteit is, dat het in Peru leidt tot harde sociaal-economische uitbuiting, tot het buitenspel zetten van boerengemeenschappen. Boeren, die in de loop van de tijd hebben bewezen de streek met hun producten tot ontwikkeling te kunnen brengen, worden als zijnde irrelevant gewoon opzij geschoven. Een derde punt: het geheel gaat gepaard met een rücksichtsloze ecologische ontwrichting, ook een vorm van vampirisme. Er wordt volop geïrrigeerd omwille van de asperges, maar niet gedraineerd (drainage is de afvoer van water met het oog op het voorkomen van te grote zoutconcentraties in de bodem; red.). Over een jaar of zeven verzilt al die grond, om vervolgens te worden afgeschreven. Voor dit soort ‘hit and run’ industrieën is dat geen probleem. Ze schuiven gewoon op naar andere gebieden!

Je zou toch veronderstellen dat dit soort ontwikkelingen opvalt? Maar het lijkt niet te worden gesignaleerd. Heeft u daar een verklaring voor?

Laat ik beginnen met te zeggen, dat ook mij dit erg verbaast. Het lijkt wel alsof het om weggestopte, verborgen realiteiten gaat. Ik denk dat dit voor een belangrijk deel komt omdat er in toenemende mate een afstandelijke, virtuele wereld gecreëerd wordt, die allerlei zaken, die we liever niet zien, verhult, en aansprekende formules daarvoor in de plaats stelt. In het debat over het wereldvoedselvraagstuk wordt er bijvoorbeeld gezegd, dat de wetenschap nog gigantische technologische mogelijkheden heeft om de voedselproductiviteit te verhogen en dat, als we die maar verder perfectioneren en meer landbouwkundig onderzoek doen, het wel goed komt. Prima allemaal. Maar dringt het dan niet door, dat dit niet het echte probleem is? Neem het voorbeeld van Catacaos in Peru. Je hebt er velden en daarnaast wonen boerenfamilies. Deze hebben honger en zouden deze velden dolgraag bewerken. Maar dat kunnen ze niet. Niet omdat ze niet beschikken over de nodige kennis of omdat er niet genoeg landbouwkundig onderzoek zou zijn. Nee; dat komt omdat ze geen water krijgen. Dat wordt namelijk afgetapt voor de aspergevelden. En als ze al water krijgen, dan krijgen ze geen kredieten. Mochten ze al kunnen produceren, dan kunnen ze hun producten niet afzetten, omdat ze te maken hebben met een sterk monopolistische controle over de markten. Als ze voor de lokale markt zouden willen produceren, dan kunnen ze dat wel vergeten; want ze moeten concurreren met producten uit de Verenigde Staten of elders, die veel goedkoper zijn. Mensen krijgen geen kansen: dáár ligt het probleem.

In de debatten over de wereldvoedselsituatie en eventuele voedseltekorten valt niet één keer het woord ‘boer’. De debatten gaan niet over de boer, die het voedsel zou moeten produceren. We hebben een abstracte, virtuele wereld gecreëerd, waarmee het onderwerp voor onszelf en in de discussies en het politieke betoog hanteerbaar lijkt. Maar een aantal essentiële punten – fricties, pijnlijke punten, dwarse visies – zijn uit het beeld weggepoetst……

In Nederland merken we als consument nauwelijks iets van een voedselcrisis. Waarom zouden mensen zich hier druk maken?

Nee, we merken er hier inderdaad nauwelijks iets van…….. Maar het zou goed zijn als we ons zouden realiseren, dat zaken onverwacht ook een heel andere wending kunnen nemen…… Als we de financiële crisis doortrekken naar het wereldvoedselvraagstuk, dan wordt duidelijk, dat, als de voedselimperia, waar we het hier over hebben, in de problemen komen, de gevolgen niet te overzien zullen zijn. Of stel, dat de eiwitstroom – de invoer van soja, maïs, tarwe en noem maar op – vanuit de Derde Wereld naar Europa stilvalt. Dat zal een keten aan consequenties tot gevolg hebben. Opeens zullen mensen gaan beseffen, dat het voedsel, dat ze gewend zijn te eten er gewoon niet meer is; of ze er nu wel of niet veel voor willen betalen..

We hebben al kunnen zien, dat een aantal voedselexporterende landen hun eigen landbouw zijn gaan beschermen.

Ja; en dat is natuurlijk ook heel verstandig. Wereldwijd is er een heel zinnig debat gevoerd over voedselsoevereiniteit. Daarbij gaat men er van uit, dat elk land de plicht heeft – maar ook de mogelijkheid moet hebben – om de voedselvoorziening met behulp van de eigen landbouw in belangrijke mate zelf te schragen. Dat betekent niet dat er wordt gekozen voor autarkie, voor complete zelfvoorziening. Het betekent wel, dat het evenwicht tussen productie en consumptie opnieuw moet worden gedefinieerd voorbij het niveau van een globale wereldmarkt. We weten immers dat het marktmechanisme, zeker zoals het nu werkt, op de lange duur geen zekerheid biedt. In ieder geval zal het tot veel ontwrichting leiden. En het kent al een heel hoge prijs; onder andere een permanente ontwrichting in de Derde Wereld.

Er zijn tekenen, die erop wijzen dat de situatie wel eens snel zou kunnen veranderen. Neem bijvoorbeeld Brazilië. Brazilië is een agrarische exporteur van formaat. Tegelijkertijd heeft in dit land 60% van de bevolking te maken met een eenzijdig voedingspatroon. Daarnaast zie je dat miljoenen mensen in Brazilië staan te trappelen om terug te keren naar het platteland; omdat het ze niet lukt in de krottenwijken van de steden een bestaan op te bouwen. Alleen al deze twee interne factoren samen maken, dat de landbouw een meer op de nationale behoeften gerichte wending zou kunnen gaan nemen. Een keuze dus voor een situatie van meer voedselsoevereiniteit, voor meer evenwichtige voeding voor de bevolking en een bedrijfsmodel, dat vooral gericht is op gezins-, op boerenlandbouw: een landbouw dus die inkomen en werkgelegenheid genereert voor de eigen bevolking en deze ook een aantrekkelijker toekomstperspectief biedt…….. Dit soort interne factoren zou wel eens voldoende kunnen blijken voor het in gang zetten van zodanige veranderingen in Brazilië, dat die in Europa een schokgolf kunnen veroorzaken. Zo bezien is die hele eiwitstroom vanuit de Derde Wereld, waarvan nu sprake is, bijna een infuus waar Europa aan ligt.

In Nederland is de situatie in feite rampzalig. Als we toe zouden moeten naar voedselsoevereiniteit en dus ons eigen brood zouden moeten produceren, dan zou alleen dat al een gigantische herschikking vragen van alle landbouwgrond……Wat hier wordt geproduceerd, is bij lange na niet wat hier wordt gegeten. Deze disbalans heeft ook structurele consequenties. ….. Niet alleen kan de situatie ontstaan, dat we wat we hier produceren aan de straatstenen niet kwijt kunnen. het zou daarnaast ook nog wel eens zo kunnen zijn, dat wat we zelf aan voedsel nodig hebben niet meer aangevoerd kunnen krijgen.

Pleit dat niet voor het resoluut inslaan van een andere weg?

Zeker. Maar het is volgens mij een illusie om te denken dat we onder de huidige politieke omstandigheden veel aan de situatie zouden kunnen veranderen. De Nederlandse politiek houdt streng vast aan de neoliberale grondbeginselen. Het enige wat wel kan – een collega van mij, Henriëtte Friedman, heeft dat treffend omschreven – is, dat we domeinen van relatieve zelfregulering creëren, waar alternatieven tot ontwikkeling worden gebracht. Het interessante is, dat als je dit beeld hanteert je daarmee aan mensen een heel andere lezing van de wereld kunt meegeven. Als er bijvoorbeeld over de biologische landbouw wordt gesproken, dan zeggen mensen: “dat is maar 2%; dat stelt niks voor; daar verander je de Nederlandse landbouw niet mee”. Nee inderdaad, dat klopt. Maar toch is het belangrijk, dat die 2% er is en dat we meer gaan inzien, dat die 2% zeer succesvol is. We moeten er anders naar gaan kijken; het gaan zien als een beeld dat aangeeft, dat het ook anders kan. Neem de opbloei van streekproducten, de opkomst van boerderijwinkels, allianties tussen biologische boeren en consumenten, enz. Dit soort alternatieven is juist heel succesvol, juist omdat deze boeren er in slagen om in de bestaande situatie geworteld en overeind te blijven, terwijl ze tegelijkertijd een belofte in zich dragen. Het is belangrijk om over dit soort alternatieven te beschikken. Komt er dan een crisis, dan zullen we zien, dat er dan wél een sprong gemaakt kan worden.

Hoe ziet het boerenbedrijf van de toekomst er volgens u uit?

Ik denk, dat vanuit de verwarring die er nu heerst een nieuwe boerenstand ontstaat, die in sterke mate waarden in zich verenigt als autonomie, deelhebber zijn in bredere zin aan de samenleving, aandacht voor het lokale en duurzaamheid. Boeren ook die een bepaalde trots uitstralen; omdat ze de overtuiging hebben, dat ze hun voedsel produceren op een betere manier, met meer zorg en aandacht voor de natuur. Boeren, die niet meer als een soort semi-lijfeigene door het leven hoeven te gaan, maar verknocht kunnen zijn aan hun werk en tegelijkertijd toch oog kunnen hebben voor andere belangen, die in de samenleving spelen…… Uiteindelijk vinden mensen het toch plezierig om kwaliteit te ervaren op het niveau van hun eigen werk en daar een zekere zeggenschap over te hebben. Mensen willen iets mee opbouwen, dat in zekere zin een expressie vormt van henzelf; iets waar ze zich bij thuis voelen en waar ze trots op kunnen zijn!

Lees het volledige interview www.pala.be .

DE VOEDSELPARADOX, John Habets & Henk Gloudemans

Uitgever: Stichting WereldDelen, 196 pag. , Prijs: € 14.95

TE BESTELLEN ( en meer info) VIA www.werelddelen.nl of  tel. 013 5451666

(p.s. (ander onderwerp!)  zie www.pala.be: een nieuwe coöperatieve bank is mogelijk voor de nieuwe coöperatieve bank die PALA aan het oprichten is als antwoord op de te grote financiële macht van de financiële wereld.)

 

Share This